De donkere kamer
Over afgescheidenheid
Er is een grens die iedereen kent en niemand ooit heeft gezien. Wat je voelt, voelt geen ander. Wat je denkt, blijft binnen tot je het uitspreekt, en wat dan aankomt, zijn woorden — niet het denken zelf. De wereld is daar, jij bent hier, en daartussen loopt een lijn die nergens begint en nergens ophoudt. Afgescheidenheid is geen gedachte die je ooit hebt aangenomen; ze is de toestand waarin je wakker wordt. Ook die grens heet op deze site gekozen — daarom is één zin uit de voetnoten van De filosofie van oneindigheid hier vooropgesteld. ‘Gekozen is geen verwijt; veel keuzes worden niet als keuze herkend.’
De naam boven deze tekst belooft intussen weinig goeds. Een donkere kamer is de plek waar je als kind niet naar binnen wilde; donker is waar het zicht ophoudt en het invullen begint. Maar het Nederlands heeft met deze woorden allang iets anders gedaan. De donkere kamer is de doka, de ruimte waar foto’s worden ontwikkeld. Daar is het donker geen gebrek en geen dreiging; het is de werkvoorwaarde. Doe het licht te vroeg aan en ontwikkel het vel: er staat niet méér op, maar minder — egaal zwart, want papier dat alles tegelijk te zien krijgt, kan niets meer onderscheiden. Wat er in die kamer ook verschijnt, het verschijnt dankzij het donker. Deze tekst gaat over de grens van daarnet, en hij leent die kamer om ernaar te kijken.
Waar de grens scheidt, laat zich op twee diepten vragen. De eerste ligt in de stof. Vraag de natuurkunde waar jij ophoudt en de wereld begint, en ze wijst geen schot aan. In haar strengste beschrijving — de kwantumveldentheorie — zijn losse deeltjes plaatselijke verdichtingen van velden die overal zijn. Het vacuüm is er geen leegte, maar de stilste stand van iets dat doorloopt. Dat bewijst geen eenheid; zulke beelden rijmen hoogstens. Maar dít rijmt dan ook: wie de grens in de stof zoekt, vindt haar daar niet.
De tweede diepte ligt in de ervaring, en daar heeft deze site een getuige. De realisatie van een buitengewoon zelfbeeld doet verslag van wat er gebeurde toen de afbakening losliet: ervaringen gingen ‘als kleuren in een regenboog naadloos in elkaar over’, en het was allebei, gelukzalig én angstaanjagend. Een keer is de grens bij iemand weggevallen, en wat hij terugbracht was niet alleen een bevrijdingsbericht: zonder grens vervaagt méér dan het schot tussen binnen en buiten — alles wat ooit te onderscheiden viel, schuift ineen. Dezelfde tekst noemt de ervaring van afgescheidenheid ‘alleen in onze voorstelling van de buitenwereld verankerd’. Dat maakt die ervaring niet minder werkelijk — ‘even werkelijk als iedere andere’, zegt De realisatie — maar het zegt wel waar ze woont. Niet in de stof; in onze voorstelling.
Wie dat hoort, kan denken dat de grens dan een vergissing is — iets om te doorzien, en daarna weg te doen. De verdieping van deze site zegt iets anders. ‘Iedere slag laat juist iets weg, en zegt daarmee vooral: dit niet’, schrijft Het rotsblok over de beitel. Een gestalte ontstaat niet ondanks het weglaten; ze bestaat eruit. Escher heeft er een prent van gesneden, Circle Limit IV, waarin lichte en donkere gestalten samen het vlak vullen; geen lijn is er van één van beide alleen. Dezelfde contour sluit de ene figuur en opent de andere; wie er één wegneemt, neemt beide weg. De lijn uit het begin is net zo’n contour: hij tekent jou én de wereld.
Hetzelfde vertelt De afwijking, met Lucretius’ regen — druppels die evenwijdig vallen, allemaal, altijd. ‘Zo zou er nooit iets gebeuren: geen botsing, geen verbinding, geen wereld — regen, verder niets.’ Tot er één afwijkt en een andere raakt. Daar begint de wereld. Er is pas iets waar iets zich van iets anders onderscheidt. De grens breekt de wereld niet in stukken; ze maakt dat er iets bepaalds verschijnt. In de donkere kamer heet dat belichten — licht geven, maar gedoseerd. Het donker heeft geen bron; alleen licht laat zich geven. Bijna alles wordt weggehouden; wat het papier wél bereikt, valt gericht. Alles tegelijk had zwart gegeven. En wat voor het papier geldt, geldt voor het licht — omgekeerd: alles tegelijk is daar wit in plaats van zwart. De realisatie beschrijft het wegvallen van de grens als kleuren die in elkaar overgaan; doorgetrokken komt die beweging bij wit uit, en teruggedraaid laat ze zien waarom er kleuren zíjn. Wit is alles tegelijk, en alles tegelijk valt niet te onderscheiden. Pas gescheiden is er kleur te zien.
Nergens komt de grens harder aan dan in pijn. Pijn is wat zich het minst laat delen. Meeleven bestaat, en het draagt; meevoelen, letterlijk, neemt de pijn niet over — precies daar zit de grens. Alles wat hierboven staat, kan waar zijn — van de grens tot de kleur — en van binnenuit is het niet te accepteren. Die zin blijft hier op volle sterkte staan; er komt geen maar achteraan. Alles wat hierboven staat, verklaart dat er in een wereld van vormen zoiets als een tegen bestáát. Waarom dít tegen, in dit leven, bij deze mens — daarover zegt het niets, en elke tekst die het eerste als antwoord op het tweede laat klinken, wordt op dat moment wreed.
Van binnenuit valt er geen afstand te nemen, en De droom kent de reden. ‘Bij een illusie kun je een stap terug doen. Bij de droom niet; je staat er middenin.’ Middenin is geen fout, het is een plaats; wie er staat, doet niets verkeerd. Eén zin ligt hier voor het grijpen, en deze tekst laat hem liggen: ‘het geeft niet’. Er is maar één mond die hem zeggen kan, en ook die alleen achteraf; uit elke andere mond, op elk vroeger moment, richt hij precies de schade aan die hij ontkent.
Nergens lijkt de grens definitiever dan bij de dood. Het doek valt, en de zaal ziet de speler niet meer. Van de speler heeft de zaal nooit méér gezien dan wat er aankwam, en bij de zaal komt niets meer aan. Meer dan dat heeft de zaal nooit vastgesteld — hoogstens gevreesd, of gehoopt. Wie na het doek nog iets hoort, hoort wat geen ander hoort — niet minder werkelijk, maar niet voor de zaal. Zicht is wat een doek wegneemt. ‘Een sluier is geen grens’, zegt De noodzaak; of het doek een sluier is, weet de zaal niet. Deze pagina blijft in de zaal. Uit het zicht is niet hetzelfde als verdwenen.
In de donkere kamer hangt eerst het negatief te drogen. Niemand zou het zo uitkiezen — alles wat licht was, is er donker; alles wat donker was, licht — en toch ontbreekt er niets: het is het volledige beeld, met de waarden omgekeerd. De getuige gebruikt, terugkijkend op zijn eigen donkere kamer, die vorm. Zijn paranoia, schrijft De realisatie, was ‘de herkenning van algehele verbondenheid, negatief ingevuld’. Die zin kon alleen achteraf worden geschreven, toen er weer licht was — en alleen door wie zelf in dat donker had gestaan. Deze kamer belooft niemand een afdruk. Of er in iemands donker ooit een beeld opkomt, weet niemand van buiten, en van binnen pas achteraf.
De kamer waar je nooit naar binnen wilde en de kamer waar beelden ontstaan, blijken in de taal dezelfde kamer te zijn. Niet omdat het donker een bedoeling heeft, maar omdat er zonder donker nergens iets verschijnt. Misschien is de vraag niet waar de grens scheidt, maar wat er zonder haar nooit te zien was geweest.
Verwantschap, achteraf herkend: Spinoza, die in een brief aan Jarig Jelles schreef dat vorm bepaling is, en bepaling ontkenning; en de via negativa, de oude weg die het onbegrensde alleen in ontkenningen nadert — telkens opnieuw: dit niet.